Louis de Geer (1587 - 1652 ondernemer)

   

Bron: http://ifthenisnow.nl/nl/personen/louis-de-geer
 

 

Louis (of Lodewijk) de Geer (1587-1652) staat symbool voor de enorme economische groei en welvaart van de Republiek ten tijde van de Gouden Eeuw. Hij staat als wapenhandelaar ook symbool voor geld verdienen zonder morele belemmeringen. Tijdens de Dertigjarige Oorlog, toen grote delen van Europa elkaar gewapend bestreden, verdiende De Geer goud geld.
Louis de Geer was afkomstig uit Luik. Omdat de katholieken het steeds meer voor het zeggen kregen in zijn geboortestad, vestigde de protestantse De Geer zich in 1611 in Dordrecht. Hij beschikte na het overlijden van zijn vader over een startkapitaaltje. Daarmee verstrekte hij als bankier leningen en langlopende kredieten aan onder andere Luikse mijnondernemers in Zweden, het land van de uitgestrekte mogelijkheden. Dordrecht werd echter al snel te klein voor De Geer en vier jaar later verhuisde hij naar hét handelscentrum van de Republiek: Amsterdam. Hier bevond zich het kantoor van de uit Luik afkomstige familie De Besche, die belangrijk zou worden voor De Geer’s handelsconnecties met Zweden.

Moedernegotie
De Geer koos ook voor Amsterdam omdat de stad de basis was voor de handel op de Oostzee in bulkgoederen, die nog verwerkt moesten worden tot gebruiksvoorwerpen en andere producten. Het ging hierbij voornamelijk om producten als graan, hout, ijzer- en kopererts. De welvaart van de Republiek dreef op deze handel, die ook wel de ‘moedernegotie’ werd genoemd. De Geer was voornamelijk geïnteresseerd in het handelsnetwerk in Zweden dat door de moedernegotie was ontstaan. Toen hij in 1615 opdracht kreeg om voor de Admiraliteit kanonnen en munitie in Zweden te kopen, bleek dat het land niet tot grote export in staat was. De Geer begreep dat hij veel geld kon verdienen met de fabricage van wapens.

Vroeg Nederlands-Zweedse betrekkingen
Toen De Geer zich richtte op de productie van munitie in Zweden was het land eigenlijk nog een onderontwikkeld gebied. Het was rijk aan grondstoffen en het lag gunstig ten opzichte van handelsroutes, maar de Zweden waren niet goed in staat om hier hun voordeel mee te doen. Op het platteland (er waren nog nauwelijks steden) golden nog feodale verhoudingen. Hierdoor was er zo goed als geen burgerlijk zelfvertrouwen en was er nauwelijks sprake van particulier initiatief.
Daarom zagen Nederlandse handelskolonisten er hun kans. De Amsterdamse firma Trip bijvoorbeeld – door huwelijken gelieerd aan de familie De Geer  – bezat al diverse ijzergieterijen in Julita Bruk en omgeving. Rond 1600 woonden diverse Hollandse handelaren een deel van het jaar in hun statige Zweedse huizen in Stockholm. De Nederlandse invloed op de Zweedse cultuur was aanzienlijk. Een baksteen heette ‘Hollandsk klinkert’ en een boerderij noemden ze een ‘höllanderi’.

Dertigjarige Oorlog
Terwijl De Geer zich steeds meer toelegde op de wapenproductie in  Zweden, brak in 1618 de Dertigjarige Oorlog uit. Veel Europese landen waren bij deze godsdienstoorlog tussen de keizer van het Heilige Roomse Rijk en diverse protestantse staten betrokken. Aan de heftige en bloedige gevechten zou De Geer grof geld verdienen. De behoefte aan wapens was immers onverzadigbaar.
Omdat de Republiek hart had voor de protestantse zaak, besloten de politieke leiders op het Binnenhof om de Zweedse koning Gustav II Adolf - behorende tot het protestantse kamp - financieel te steunen. Hij kreeg een Nederlandse lening van 160.000 gulden, waarvan De Geer de ene helft voorschoot en de andere helft afkomstig was uit de schatkist van de Nederlandse Republiek. Op deze manier verbond De Geer zich met de Zweedse kroon.
Dankzij de uitputtende Dertigjarige Oorlog was de Zweedse koning bovendien gedwongen zijn kroondomeinen te verpachten. Samen met de eerdergenoemde ondernemer De Besche verwierf De Geer de pacht van de ijzermijnen van Finspång. In de volgende jaren verwierf hij nog enkele grote mijnen. Daarmee legde De Geer de basis voor zijn monopolie op Zweeds ijzererts. Hij liet een grootschalig industriecomplex bouwen in Finspång en introduceerde de Waalse hoogoven in Zweden.

Grootgrondbezitter in Zweden
Nadat De Geer in 1641 door Gustav II Adolf in de adelstand werd verheven, kreeg hij de hele productieketen in handen. Hij had de mijnen kunnen aankopen en als grootgrondbezitter zette hij zijn boeren in als goedkope krachten in het productieproces. Het hout waarop de ovens brandden was afkomstig uit zijn eigen bossen en de benodigde energie dankte hij aan de waterkracht van zijn eigen beken.
De Geer was binnen een aantal jaren de belangrijkste grootgrondbezitter van Zweden. Het wrange voor de Zweden was dat al het door De Geer geproduceerde wapentuig via Amsterdam op de wapenmarkt kwam en vervolgens voor veel geld werd verkocht aan het naar wapens snakkende Zweden. Het land was niet alleen betrokken bij de Dertigjarige Oorlog, maar was ook in oorlog met Denemarken over de zeedoorgang de Sont.

Amsterdamse Keizersgracht
De Geer emigreerde in 1627 met zijn gezin naar Zweden. Hoofdreden was het vermijden van de tol op de Sont. Zeven jaar later kwam hij terug en kocht het Huis met de Hoofden aan de Amsterdamse Keizersgracht 123. In dit huis nodigde De Geer diverse vrijdenkers uit die in deze periode in het relatief tolerante Amsterdam verbleven. Samen met zijn zoon Laurens ondersteunde De Geer de publicatie van geschriften van dissidente schrijvers en filosofen, onder wie pedagoog Comenius. In 1638 zou De Geer de Zweedse kroonprins en de latere koning Karel X Gustav hebben rondgeleid in Amsterdam.
In 1640 keerde De Geer terug naar Zweden. De Zweden hadden zijn geld en producten nodig in de strijd tegen Denemarken. De familie bewoonde in die tijd het kasteel Finspång en bezat tevens een huis in Stockholm, waar nu de Nederlandse ambassade gevestigd is.  In 1652 overleed De Geer in zijn huis aan de Keizersgracht.

Nageslacht
Het nageslacht van Louis de Geer ontwikkelde zich tot ondernemers, politici en geleerden in Zweden en Nederland. Zo was Louis Gerhard de Geer, geboren in Finspång, tussen 1876 tot 1880 de eerste minister-president van Zweden. Jonkheer Dirk-Jan de Geer (1870-1960) speelde in de twintigste eeuw nog een hoofdrol in de Nederlandse politiek. Hij was in de jaren 1930 een aantal keer minister. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij, als onderdeel van het kabinet, met koning Wilhelmina naar Londen. Daar ontpopte deze nazaat van de kanonnenproducent zich als een pacifist. Ook de bekende televisiemaker en acteur (jonkheer) Ursul de Geer is een afstammeling van Louis de Geer

Bronnen:
Luc Panhuysen, ‘Wapenhandelaar Louis de Geer (1587-1650). De Dertigjarige Oorlog was een zegen voor zijn portemonnee’; Historisch Nieuwsblad;
http://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/6949/Wapenhandelaar_Louis_...
Paul Spies e.a., Het Grachtenboek (Den Haag 1993), pagina 174.
Wikipedia; Louis de Geer (1587-1652);
http://nl.wikipedia.org/wiki/Louis_de_Geer_(1587%E2%80%931652)

   
   

Bron: http://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/6949/wapenhandelaar-louis-de-geer-1587-1650.html
 

Wapenhandelaar Louis de Geer (1587-1650)
De Dertigjarige Oorlog was een zegen voor zijn portemonnee HN nr. 6/2007
Door: Luc Panhuysen

Zakenman Louis de Geer verdiende kapitalen aan de Dertigjarige Oorlog. Hij liet op ongekende schaal kanonnen maken, die hij met hoge winsten verkocht. De vele slachtoffers die door zijn wapens vielen, bezwaarden zijn geweten niet. Voor alles was De Geer koopman, met een scherpe neus voor geld.
Louis de Geer (1587-1652) en het kanon leken voor elkaar geschapen. Op het toppunt van zijn macht en koopmanschap voorzag De Geer heel Europa van geschut en kogels. Dankzij dit wapentuig werd hij een van de allerrijkste zakenlieden uit de Gouden Eeuw.
Hij had dan ook zeldzame gaven. Iemand die een stuk geschut wilde produceren, moest goed kunnen regelen. Allereerst was de aanwezigheid van grote hoeveelheden grondstoffen essentieel: koper, en in De Geers geval vooral ijzer. Om deze metalen te smelten moest men kunnen beschikken over een voor die tijd enorme concentratie energie. Vervolgens vereiste het procedé veel expertise. Om al deze grondstof, brandstof en mankracht op het goede moment op de goede plaats bij elkaar te brengen, was heel veel geld nodig. De Geer was als geen ander in staat hun ontmoeting te regelen.
Hij had zelf ook wel iets van een kanon. Een kanon bundelde meer kracht in zich dan alle andere schietwapens. Daardoor kon het zware projectielen afschieten. De Geer verenigde in zijn persoon de energie en de massa van het kanon. Hij wist zijn tomeloze energie doeltreffend te richten. Wat hij aanpakte, pakte hij groots aan; wat hij deed, had gewicht. Zoals een kogel van twaalf pond zich dwars door muren en daken boorde, zo ging deze zakenman op zijn doel af. De Geer was een visionair, een allesvreter met een internationaal schootsveld.
Het verhaal van Louis de Geer gaat over de periode van exponentiële economische groei die de Nederlandse Republiek haar Gouden Eeuw bezorgde. Het gaat over de Nederlandse betrokkenheid bij het Baltische gebied, en dan vooral bij Zweden, waarmee zeer lucratieve handelsrelaties bestonden. Het gaat over samenwerking en vertrouwen, maar ook over mercantiel opportunisme, waarmee goud geld werd verdiend, terwijl half Europa wegzonk in de ellende van een van de wreedste oorlogen van de zeventiende eeuw: de Dertigjarige Oorlog.

Hollandse kolonie
Louis werd in 1587 in Luik geboren uit adellijke ouders. Zijn eigenlijke achternaam luidde Gaillarmont; pas later voegde zijn vader 'De Geer' toe, naar het gelijknamige kasteeltje in de omgeving van Luik. Vader Gaillarmont was streng calvinistisch, terwijl het katholicisme in de jaren vanaf Louis' geboorte snel terrein won in Luik. Louis was tien jaar oud toen het gezin zich, verstopt in een turfschip, naar Dordrecht liet vervoeren. Daar was inmiddels een complete wijk van ontheemde Luikenaren ontstaan. Uit deze gemeenschap koos Louis later zijn vrouw, Adriënne Gérard, met wie hij veertien levensvatbare kinderen kreeg.
Al spoedig openbaarde zich een nuttige eigenschap van de jonge Louis. Hij had een bepaald inzicht. Bij sommige medemensen ontwaarde hij een achterland, een horizon van mogelijkheden. Hij zag of mensen hem van nut zouden worden; hij bekeek relaties op de groei. Daarbij wist Louis te geven, om later des te effectiever te kunnen nemen. Toen hij zich associeerde met zijn zwager Jacobus Trip (ook uit Dordrecht), was dat vanuit een visie. Trip deed in wapens. Daar zat muziek in.
De Geer had ook inzicht in geld. Geld opende vergezichten. Van zijn vroeg overleden vader had hij een beginkapitaaltje meegekregen. Het bankieren zat hem in het bloed; als jongeman correspondeerde hij al met agenten in Luik, Venlo, Nijmegen, Middelburg en Keulen. Maar dat was klein bier. Interessanter was de brug die hij sloeg naar een land vol mogelijkheden: Zweden met zijn mijnen. Hij verstrekte leningen aan Luikse ondernemers aldaar en bood langlopende kredieten aan. Vooral dat laatste was bijzonder, want vertrouwen was schaarser dan geld. Louis waagde het erop. Hij riskeerde omdat hij bevroedde wat er te halen viel.
Het duurde niet lang voordat Dordrecht voor De Geer te klein was geworden. Hij verruilde het stadje aan de Merwede voor de metropool aan de Amstel. In Amsterdam bevond zich het kantoor van de uit Luik afkomstige familie De Besche, die belangrijk was voor zijn relatie met Zweden. Bovendien was Amsterdam de spil van wat de 'moedernegotie' werd genoemd, de handel op de Oostzee in bulkgoederen die verdere afwerking behoefden: graan, laken, hout en ook ijzer- en kopererts. De welvaart van de hele Republiek dreef erop. De Geer was echter niet erg geïnteresseerd in de moedernegotie op zich. Wel had hij belangstelling voor het netwerk dat door de moedernegotie in Zweden was ontstaan. Hij zag in dat er veel te verdienen viel met de handel in toegevoegde waarde: bewerking en afwerking.
Zo bevond zich in Göteborg een dominante Hollandse kolonie, die meer dan eens de burgemeester van het stadje leverde. Göteborg was een zeer strategische plaats, want het bood Zweden een uitgang op de Noordzee buiten de Sont om. De Sont was de flessenhals tussen de Zweedse en Deense landtongen die de Baltische Zee met de Noordzee verbond. Wie de 'sleutels van de Sont' in handen had, verdiende heel veel geld met de heffing van tol. De strijd tussen Zweden en Denemarken om die sleutels was even oud als bloederig. In de eerste helft van de zeventiende eeuw waren ze meestentijds in Deense handen, waardoor de positie van Göteborg voor de Zweden van groot belang was. Het was dan ook niet meer dan logisch dat De Geer connecties aanknoopte met de Nederlanders in die stad.
Een geluk voor De Geer, en voor alle Nederlanders, was dat Zweden een arm land was en tegelijkertijd rijk aan grondstoffen. Het had zilvermijnen, het had koper en ijzer, het had hout in overvloed en het had teer. Het lag bovendien ook nog eens heel gunstig ten opzichte van de handelsroutes. Toch verdiende het maar een schijntje aan zijn rijkdommen en was het een achtergebleven gebied. Zweden was dunbevolkt en de bevolking was nauwelijks ontwikkeld. Op het platteland heersten feodale verhoudingen en er waren bijna geen steden. Hierdoor was het burgerlijk zelfbewustzijn afwezig en bestond er weinig particulier initiatief. De Nederlanders voorzagen gulhartig en grootschalig in deze lacune.

Industrieel complex
In 1615 had een zekere Van der Linde alias Erik Larson de Zweedse Handelsmaatschappij opgericht. Deze verzweedste Nederlander had het geschopt tot rentmeester en kameraad van de Zweedse koning Karel IX; zijn zoon bracht het zelfs tot naaste raadgever van de koning. De Geers partners van de firma Trip bezaten ijzergieterijen in het Zweedse Julita Bruk en elders. Op tal van plaatsen waande je je aan de Zaan, zoveel molenwieken zag je tegen de Scandinavische hemel wentelen. Menig Hollandse heer woonde voor de helft van het jaar in een statig pied-à-terre te Stockholm. De Nederlandse invloed op de Zweedse cultuur was aanzienlijk. Een baksteen heette Hollandsk klinkert, een boerderij werd een höllanderi genoemd. De Nederlandse aanwezigheid had veel weg van een vreedzame kolonisatie.
Zo ongeveer hing de vlag erbij toen De Geer zich oriënteerde op zijn mogelijkheden in Zweden. En toen brak de Dertigjarige Oorlog uit, in 1618. Daardoor werd de behoefte aan wapens in enkele jaren tijd onverzadigbaar. Het strijdtoneel kwam voornamelijk te liggen in het Duitse Rijk, eveneens een achtergebleven gebied. Vanwege het godsdienstige karakter van de oorlog zou met uitzonderlijke felheid en wreedheid worden gevochten. Grote delen van Duitsland zouden ontvolkt raken. Maar dat heeft het geweten van De Geer waarschijnlijk nooit bezwaard. Hij was een koopman, en een goede ook. Een ondernemer in wapens verdiende nu eenmaal aan oorlog. De Dertigjarige Oorlog zou een zegen worden voor zijn portemonnee.
De Geer was behalve een goed zakenman ook een calvinist. De Dertigjarige Oorlog was een apocalyptische tweekamp tussen protestanten en katholieken. De calvinistische Republiek kon zich niet onbetuigd laten. Meevechten werd op het Binnenhof echter niet tot de opties gerekend. Daarom werd besloten tot financiële steun aan de Zweedse koning Gustaaf II Adolf, een van de grote prijsvechters van het protestantse kamp. Deze veldheer bezat geen cent. Daarom bedachten de Staten-Generaal in Den Haag hem ruimhartig te steunen, medegefinancierd door De Geer, die daarmee een uitgelezen kans kreeg om de Zweedse kroon aan zich te binden. Gustaaf Adolf kreeg een Nederlandse lening van 160.000 gulden, waarvan De Geer de ene helft voorschoot en de andere helft afkomstig was uit de schatkist van de Nederlandse Republiek. De Geer leende nu niet langer aan particulieren, maar aan staten.
In datzelfde jaar 1618 zette hij direct een volgende stap in de goede richting. Gustaaf Adolf was wegens geldgebrek gedwongen zijn kroondomeinen te verpachten. De Geer bedacht zich geen moment en pakte de zaken groots aan. Samen met de Luiks-Amsterdamse ondernemer De Besche verwierf hij de pacht van de ijzermijnen van Finspong, de grootste van het land. Uiteraard regelde hij de benodigde som geld en zag hij toe op minutieuze naleving van de betaling. De basis voor een monopolie was gelegd. In de jaren daarna verkreeg hij de pacht over nog enkele grote mijnen. Voor zolang als de pacht duurde - twintig jaar - had hij bijna al het gedolven ijzererts van Zweden onder zijn hoede.
Nu was het zaak de productie te optimaliseren. Spoedig verrees onder De Geers leiding bij de mijnen van Finspong een industrieel complex dat alle rokende schoorstenen van zijn Nederlandse concurrenten tot ouderwets knoeiwerk reduceerde. De Geer liet zien wat schaalvergroting inhield. Deze smelterij draaide niet op een enkele oven, maar op een inferno van twaalf haarden plus een dubbele smeltoven. De productie schoot omhoog en de kostprijs kelderde; de winstmarge van De Geer maakte een sprong. Zweedse economische historici zien in de vestiging van deze metallurgische installatie het begin van een nieuw tijdperk in de ijzerindustrie van Zweden.

Zondige madezak
In 1641 werd De Geer, na onvermoeibaar aandringen, tot de Zweedse adelstand verheven. Overigens hield hij tijdens zijn intrede zijn speech in het Nederlands, zo bekend was zijn Zweedse publiek inmiddels met deze taal. De verworven adelstand schonk De Geer onschatbare voordelen. Ten eerste kon hij gebruikmaken van zijn feodale bevoegdheden. Hij sommeerde de boeren hun herendiensten te leveren, zodat hij kon beschikken over de goedkoopste arbeidskrachten van West-Europa. Ten tweede kon hij nu overgaan tot de aanschaf van de gepachte gronden. Zo werd hij in een paar jaar tijd een van de belangrijkste grootgrondbezitters van Zweden.
De Dertigjarige Oorlog had De Geers koopmanschap in een nieuw stadium gebracht; zo sterk was de vraag naar kanonnen, kanonskogels, musketten en harnassen gestegen. Als grootgrondbezitter kon hij zijn organisatie voltooien; hij kreeg de hele productieketen, van ijzererts tot eindproduct, in handen. Het hout waarop zijn ovens brandden, was afkomstig uit zijn eigen bossen. De hamers ontleenden hun energie aan de waterkracht van zijn eigen beken. Hij liet vaklui komen uit Holland, blikslagers uit Wallonië, vertinners uit Duitsland.
Hoewel de kostprijs van zijn wapens was gedaald, leidde dat niet tot lage prijzen bij afname. Het wapentuig werd namelijk per schip naar de Nederlandse Republiek getransporteerd. In Amsterdam werden de spullen vervolgens op de wapenmarkt aan de opkopers van het Zweedse leger aangeboden en met royale winstmarges van de hand gedaan. In de laatste 24 jaar van de Dertigjarige Oorlog, van 1624 tot 1648, leverde De Geer op die manier voor vele miljoenen guldens aan Gustaaf Adolf.
De oorlog was een aderlating voor Zweden. Plaatselijke graven en hertogen bekeken de Nederlander met jaloezie. Ondertussen ijverde De Geer rusteloos voor uitbreiding van zijn machtspositie. Zo wenste hij lid te worden van het nieuwe toezichtsorgaan voor de Zweedse handel en scheepvaart. Zijn aanvraag werd geweigerd, onder andere onder de verzuchting dat De Geer 'wel erg veel aan de kanonnen heeft verdiend'.
Hier leek de macht van De Geer zijn plafond te hebben bereikt. Maar het was slechts een tijdelijke tegenslag. Zolang de oorlog duurde, was Zweden met handen en voeten aan De Geer gebonden. Voor Zweden was het protestantisme een belangrijke reden om zich in de Dertigjarige Oorlog te storten, maar het was niet de enige. Het eveneens protestantse Denemarken had van de verwarring gebruikgemaakt om zijn grip op de Sont, en dus op de Sont-tol, te vergroten. Dit ging in tegen de belangen van Gustaaf Adolf en evenzeer tegen die van de moedernegotie van de Nederlandse Republiek. Daarom kwam het in de jaren veertig van de zeventiende eeuw tot een nog nauwere samenwerking tussen Zweden en de Republiek.
Tussen 1643 en 1645 rustte De Geer driemaal een aanzienlijke hulpvloot uit, die de Zweedse vrienden moesten bijstaan in de strijd tegen de Denen. De topdagen van De Geer waren aangebroken. Met zijn schepen, uitgerust met zijn kanonnen, werden de Denen teruggejaagd naar hun havenhoofden. De Sont was bevrijd, en meer dan dat: de tol was voor korte tijd opgeheven. In het jaar 1645 passeerden bijna 10.000 Nederlandse schepen de Deense Sont zonder een stuiver aan tol te betalen. De Geer zelf plukte daarvan de meeste vruchten. Van de 11.000 schippond die de Zweedse export in dat jaar uitmaakte, kwam 10.000 pond voor zijn rekening.
In het jaar 1645 had het fortuin van De Geer zijn hoogtepunt bereikt. Hij was inmiddels achtenvijftig. Na een crescendo van bijna veertig jaar ging zijn handel plotseling bergafwaarts. Zonder dat hij er iets aan kon doen, nam de vraag naar zijn kanonnen af. Niet omdat ze slecht waren, maar omdat Europa oorlogsmoe was geworden. De Vrede van Westfalen in 1648 luidde een scherpe recessie op de wapenmarkt in. Louis de Geer kon niet weten dat die recessie van zeer tijdelijke aard was. Dus het moet hem, gewend als hij was geraakt aan groeicijfers en astronomische omzetten, een onbehaaglijk gevoel hebben gegeven.
Misschien dat dit hem aanspoorde om in 1651 zijn testament op te maken. Het is een geschrift dat uitblinkt in christelijke deemoed. Tot zijn veertien erfgenamen spreekt een eenvoudig man, die beseft dat hij niets meer is dan een zondige madezak. De Geer hamert op de noodzaak aan de armen te geven en God te vrezen. Hoe meer zijn nabestaanden zouden geven, hoe meer 'uw middelen zullen groeien, als zaad in een vruchtbare akker uitgestrooid'.
Het moet gezegd: het nageslacht heeft geoogst. Bij zijn overlijden liet De Geer een bedrag na van 1,5 miljoen gulden, omgerekend naar euro's een slordige 105 miljoen. Aan de Amsterdamse Keizersgracht staat op nummer 123 nog altijd het prachtige Huis met de Hoofden, in 1634 door hem gekocht. In Stockholm heeft De Geer een stadspaleis laten optrekken dat het Haagse Mauritshuis naar de kroon steekt. Tegenwoordig zetelt daar de Nederlandse ambassadeur.
De Geers nageslacht ontwikkelde zich tot ondernemers, politici en geleerden in Zweden en Nederland. Jonkheer Dirk-Jan de Geer (1870-1960) speelde in de twintigste eeuw nog een hoofdrol in de Nederlandse politiek. Gedurende de jaren dertig was hij veelvoudig minister. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, vluchtte De Geer, zevendegraads nazaat van de kanonnenbouwer, samen met de koningin naar Engeland. Het tijdperk van het kanon was voorbij, dat van de bommenwerper en de tank was aangebroken. Jonkheer Dirk-Jan ontpopte zich in Londen tot een pacifist. Vanwege zijn verzoenlijke politiek jegens Hitler belandde hij een jaar in de gevangenis.
Luc Panhuysen is auteur van De Ware Vrijheid. De levens van Johan en Cornelis de Witt (2005).

Meer informatie
De Geer krijgt een waardige, en zeer informatieve plek in Erflaters van onze beschaving door Jan en Annie Romein (1972). In De 250 rijksten van de Gouden Eeuw, onder redactie van Kees Zandvliet, staat Louis de Geer op de vierde plaats. Het bijbehorende biografietje vertelt weer dingen die de Romeinen niet vertellen. De modernste biografie van De Geer is F. Breedvelt-Van Veen, Louis de Geer 1587-1652 (1935).
Over De Geers belang voor de Zweedse metallurgie schreef J.Th. Lindblad 'Louis de Geer (1587-1652).
Dutch entrepreneur and the father of Swedisch industry', in: C. Lesger en L. Noordegraaf (red.), Entrepreneurs and Entrepreneurship in Early Modern Times. Merchants and Industrialists within the Orbit of the Dutch Staple Market, in de Hollandse historische reeks 24 (1995).
Over de moedernegotie, maar ook over De Geer: Goud uit Graan. Nederland en het oostzeegebied 1600-1850, onder redactie van Remmelt Daalder. Liefhebbers kunnen ten slotte terecht bij J.W.L. de Geer van Jutfaas, Lodewijk de Geer van Finsporing en Leufstra (1587-1652) (1852).

   
   
Bron Wikipedia NL

Louis de Geer (Luik, 1587  Amsterdam of Dordrecht, 1652) was de grote kanonnenproducent voor de protestantse zaak in Duitsland, maar ook voor de Nederlandse admiraliteit en de VOC en WIC. Hij introduceerde de Waalse hoogoven in Zweden en bouwde in dat land het eerste grootschalige bedrijvencomplex op. Hij was een zwager van Pieter Corneliszoon Hooft en Jacob en Elias Trip.

Biografie
Louis de Geer was afkomstig uit Luik, vanouds een centrum voor ijzerertswinning. Hij vestigde zich als koperslager in Rouen en kwam via La Rochelle in 1611 in Dordrecht terecht. Als rijke bankier en industrieel kwam hij naar Amsterdam (1615). In 1615 voerde hij met toestemming van de Staten-Generaal 400 kanonnen en kogels in ten behoeve van de admiraliteiten en dreef nadien nog een uitgebreide handel in krijgsbehoeften.
[1]
Een dergelijke uitgebreide handel werd ook gedreven door zijn zwager, Elias Trip, eveneens gevestigd in Amsterdam.
Het uitbreken van de Dertigjarige Oorlog in 1618 en het hervatten van de opstand in 1621 had de vraag naar wapens doen toenemen en de prijzen omhoog gejaagd. Al in 1618 leverde hij wapens aan Gustaaf II Adolf van Zweden en in 1623 had hij zich ingekocht in een Zweedse handelscompagnie (misschien met behulp van Jan Rutgers, eveneens afkomstig uit Dordrecht).
In 1627 emigreerde De Geer naar Zweden, voornamelijk om de lasten van de tol in de Sont te omzeilen. Louis verkreeg van Zweedse koning het monopolie op de koper- en ijzerhandel en werkte zo goed en kwaad als het ging samen met de familie Trip en De Besche. In 1634 kocht hij hetHuis met de Hoofden op de Keizersgracht, inclusief de schilderijen en de bloembollen. In deze periode vormde dit huis ook een gastvrij ontmoetingspunt van vrijdenkers die in het tolerante Amsterdam een veilige haven vonden. Zowel vader Louis als zoon Laurens de Geer ondersteunden studie en publicaties van dissidente schrijvers en filosofen.
Zo realiseerden zij in hun huis een veelzijdige bibliotheek, onder meer ten behoeve van het werk van Jan Amos Comensky.
Zijn vrouw stierf na de geboorte van het zestiende kind. In 1638 leidde hij Karel X Gustaaf van Zweden in Amsterdam rond.
De Geer is in 1640 opnieuw naar Zweden getrokken en in het daaropvolgende jaar in de adelstand verheven. De titel stelde hem in staat driekwart van de gepachte landerijen te kopen. Toen was hij heer van Österby, etc. in Uppland, een mijnbouwgebied ten noorden van Stockholm. Zijn huis in Stockholm is tegenwoordig de Nederlandse ambassade.
De Geer reisde in opdracht van Axel Oxenstierna naar Amsterdam om steun te verwerven bij een oorlog tegen Denemarken. De Geer leverde in1644 een complete marine, 32 schepen met zeelieden, wapentuig en officieren, zodat Fehmarn door de Zweden kon worden bezet. De Geer bekostigde een deel van de expeditie zelf, want ook Denemarken wierf wapens, schepen en manschappen in de Republiek. Tenslotte wordt De Geer ook genoemd als stichter van de Zweedse Afrikacompagnie.
De oprichting leidde tot een rel in Amsterdam (1649). Tijdens zijn laatste reis naar Zweden werd Louis de Geer ziek en keerde terug naar Amsterdam.
De familie De Geer bewoonde het kasteel te Finspång. In 1662 kwam plotseling een einde aan de suprematie van het Hollandse kapitaal in de Zweedse mijnbouw en metaalindustrie. De bibliotheek van De Geer is nog intact en staat momenteel (2007) in de Zweedse stad Norrköping.
[2]
 

In het programma "De Gouden Eeuw" van 01-01-2013 "Markt en moraal" wordt de link gelegd tussen het heden en de meest welvarende periode in onze geschiedenis, de gouden eeuw. De Oostzeehandel is minder spectaculair dan de VOC maar wel belangrijker en winstgevender.
Hieronder staat een fragment over Louis de Geer en gesprekken met zijn nazaten


Documentary part about Louis de Geer (partial in English).





   
Bronnen, noten en/of referenties

Noot

  1.  1939. J.K.H. de Roo van Alderwerelt. 1814-1939. De grootmeester en de inspecteurs der artillerie van de Koninklijke Landmacht van 1814 tot 1939. Koninklijke Vereniging Ons Leger. Bladzijde 17
  2.  Het Parool 19 okt. 2007.
Categorieën: 
 

Lead Token Telegraph 64, July 2010


 

Louis De Geer (1587–1652)

From Wikipedia, the free encyclopedia

Louis De Geer (Liège, 17 November 1587 – Amsterdam, 19 June 1652) was a Walloon/Dutch merchant and industrialist. He is considered the father of Swedish industry for introducing Walloon blast furnaces in Sweden. He produced cannons for the German protestant movement, but also for the Dutch admirals and the Dutch East India Company and the Dutch West India Company.
Biography
De Geer was born in Liège/Luik in what is today Belgium. He was a brother-in-law of the famous Dutch author P.C. Hooft. In those days Liège was already famous for its iron ore.
He set up as a coppersmith in Rouen and in 1611 eventually reached Dordrecht. Having earned a fortune as a banker and industrialist he moved to Amsterdam in 1615. Owing to his extensive travels he received a good education in business. With the outbreak of the Thirty Years War the demand for weapons increased enormously. In 1618 De Geer delivered weapons to Gustavus Adolphus of Sweden, the Swedish king. Impressed by his business instincts the Swedish Crown allowed him to lease estates near Finspång, Östergötland in eastern Sweden proper. Before long, De Geer had established a formidable workshop industry there. In 1623 he was active in a Swedish trading company. The Swedish Crown continued to support him and De Geer received the monopoly on the copper and iron trade. De Geer, who adopted Sweden as his second mother country, immigrated to Sweden in 1627. He hoped to evade toll in de Sont. In 1634 he bought het Huis met de Hoofden on theKeizersgracht in Amsterdam. His wife died after the birth of their sixteenth child. In 1640 De Geer travelled again to Sweden and was ennobled. In his new status he was able to buy 3/4 of the leased farmlands. His house in Stockholm is today the Dutch embassy in Sweden. Working for Axel Oxenstierna he went to Amsterdam to support the war against Denmark. In 1644, at the start of the Torstenson War against Denmark, he singlehandedly equipped an armada of ships to sail against Denmark. This fleet contained a complete marine, 32 ships with sailors, weaponry and officers. The Swedes were able to conquer Fehmarn in Denmark, thanks to this aid. De Geer is also considered responsible for the Swedish Africa Company. When he founded this company a riot started in Amsterdam in 1649. His family also provided shelter to pacifist and humanistComenius in his home in Amsterdam. He died in 1662 after falling ill during another voyage to Sweden. He returned to Amsterdam and died there.